Laatste vrienden

Een dame van 102 uit het verpleeghuis zei vorige week: Voel eens onder je stoel. Ik haalde een fles wijn tevoorschijn. ‘Lekker opdrinken met je man‘ Toen ze hoorde dat Siem koning in het kerstspel ging spelen, moest ik een set oude kersthangers meenemen: ‘Neem mee, ik heb kerstboom noch kleuter!

Oude mensen spelen de hoofdrol in de trilogie van Jane Gardam. Kerst 2017 startte ik met ‘Een onberispelijke man’ over de oude rechter Edward Feathers. Vorig jaar las ik het tweede deel ‘Een trouwe vrouw’ over zijn deugdzame vrouw Betty. En de afgelopen dagen was het slotstuk ‘laatste vrienden’ aan de beurt over zijn aartsrivaal en haar geheime liefde: Terry Veneering.

Het mooie van Gardam vind ik dat ze niets uitlegt of expliciet maakt, maar al lezend krijg je inzicht hoe mensen zijn geworden tot wie ze zijn. En dat allemaal in een ultieme Britse setting en schrijfstijl: sober en soms onderkoeld grappig. Dit laatste deel start met de begrafenis van Edward Feathers. Betty en Terry zijn niet lang daarvoor gestorven. Je blikt terug door de ogen van hun laatste vrienden (eigenlijk vrij onbeduidende bijfiguren uit de andere delen). Gardam schrijft ontroerend over de onvermijdelijke eenzaamheid van de ouderdom. Wat gebeurt er als je alle begrafenissen van je vrienden moet meemaken? Oude Dulcie praat tegen zichzelf en haar overleden man:

“De kwestie is dat ik als eenzame weduwe in een groot leeg huis met nog maar weinig vrienden (ik heb geen zakdoek bij me) niemand meer heb om die dingen mee te bespreken. Dat is de pijn van het verlies. De gevoelens verdwijnen niet, al begint het verstand te verschrompelen en te verdwalen”

Sommige mensen hebben het voorgevoel dat ze de bejaarde leeftijd nooit zullen bereiken zoals Marien (hopelijk heeft hij ongelijk). Maar ik zie mezelf wel voor me als gerimpeld oud vrouwtje. Het zou fijn zijn als ik zoveel levenstijd zou krijgen, maar tegelijk vrees ik de ouderdom om precies die dingen die Dulcie noemt.

Gelukkig heeft van het concert des levens niemand een program, zo stond al boven het orgel bij mijn oma te lezen.

En daarom geniet ik nu samen met mijn -nog lang niet bejaarde- man van de gekregen fles en knipogen de antieke kersthangers me toe.

Derde kerstdag

Na mooie kerstdagen met de familie was gisteren een heerlijke ‘derde kerstdag’ met z’n drieën. Overdag naar het Gorinchems museum, waar de reproducties van het Geheim van de Meester tentoongesteld zijn. Waanzinnig knap hoe kunstenaar Charlotte Caspers de historische meesterwerken reconstrueerde. Siem deed een puzzeltocht..

’s Avonds keken we op Netflix The Two Popes van regisseur Fernando Meirelles. Schitterende film over de twee tegenpolen paus Benedictus XVI en paus Franciscus. Een grappige, boeiende en ontroerende film over twee oude mannen die worstelen met hun theologie en visie op de kerk, eenzaamheid, hun besmet verleden, schuld en boete. Ik heb genoten van de hoofdrolspelers Anthony Hopkins (81) en Jonathan Price (72). Zij spelen kardinaal Ratzinger en kardinaal Bergoglio zo mooi en geloofwaardig dat je sympathie voor beide mannen krijgt. Hele grappige scenes -pausen eten pizza in de Sixtijnse kapel- worden afgewisseld met schitterende beelden -de rituele verkiezing van de paus- en ontroerende scenes –bijvoorbeeld de scene waarin beide geestelijken elkaar de biecht afnemen. Natuurlijk kreeg de film ook kritiek. Bor Beekman van de Volkskrant schrijft:

Dat The Two Popes de sympathie van de kijker voor beide oudjes nooit echt op de proef wenst te stellen, gaat wringen. Bij Bergoglio’s gestolde verleden wordt (te) uitgebreid stilgestaan, maar zodra Benedictus dan eindelijk de kindermisbruikkwestie aansnijdt, draait Meirelles het geluid weg. 

Ik vond de discussie tussen beide mannen over het misbruik juist krachtig en niet weggemoffeld. Bergoglio- de huidige paus Franciscus- verwijt zijn opponent scherp dat de biecht van de geestelijken de pijn van de slachtoffers niet wegneemt. De pijn is voelbaar. Net als de pijn over de rol die Bergoglio heeft gespeeld onder het regime van Videla in Argentinië.

Paus Benedictus zegt treffend: ‘Als paus moet je nooit vergeten dat je God niet bent. Je bent slechts een mens’

De onsterfelijken

Leef je anders als je je sterfdatum weet?

Dit is de vraag die ten grondslag ligt aan de roman van Chloe Benjamins De Onsterfelijken. Het gaat over de zussen en broers Gold die in een onbezonnen bui als kinderen een waarzegster bezoeken. Zij voorspelt hen allen vier hun exacte sterfdatum. Als lezer volg je Varya, David, Klara en Simon op hun levenspad en hoe de voorspelling hun leven beïnvloedt. Ik vond het een geweldig boek; spannend, mooi geschreven en prachtige personages.

De vragen die Benjamin opwerpt houden me na het lezen bezig:

Waar geloof je in en wat niet? Wat is voorbestemd en wat is vrije wil? Sterven de personages op hun voorspelde datum omdat het hun lot is of hebben ze bewust of onbewust naar die datum toegeleefd?

Benjamin vertelt in een interview in de Volkskrant dat het boek is ontsproten uit haar eigen ongemakken en angsten: angst voor sterfelijkheid en verlies, voor het niet-weten. De personages hebben elk hun eigen manier om houvast te zoeken in de onzekere werkelijkheid. Of het nu het joodse geloof met alle regels en rituelen is van vader en moeder Gold, het rationalisme van legerarts David, de wetenschap van Varya, Simon’s najagen van een passie of het magisch denken van Klara.

Klara is een heel boeiend personage (zij is overigens geïnspireerd op een bestaand persoon; een circusartiest uit de jaren 30). Ze is illusionist en is overtuigd dat de realiteit niet alles is. Er zijn terreinen van het bestaan die niet verklaard kunnen worden door rationeel denken, die blijven mysterieus. Bij Klara komt het spanningsveld ook tot uitdrukking: als je de magie en het bovennatuurlijke teveel toelaat, kun je ook over het randje van de waanzin kukelen.

Benjamin geeft aan dat zij dingen graag rationeel benadert maar ze waardeert ook de kant die Klara vertegenwoordigt en het geloof van de ouders Gold: ‘Wat ik mooi vind aan religie is dat daar plek is voor mysterie, voor het niet-weten. Ik denk dat er waarde schuilt in het accepteren van niet-weten.’

Groene eieren met ham

Bij dag en nacht, bij zon en regen kom je leuke dingen tegen. (Dr. Seuss)

Siem leert lezen. Het is een prachtige ontdekkingstocht. En verrekte handig in Sinterklaastijd. Dan kun je mooi je verlanglijst aan de goedheiligman zelf schrijven.

De tijd dat ikzelf ‘boom, roos, vis’ leerde lijkt eigenlijk nog maar zo kort geleden. Ik was vrijwel direct verslingerd aan lezen toen ik het eenmaal kon. Ik weet nog dat ik op woensdagmiddag met mijn moeder naar ‘de bibliobus’ mocht, naar de mevrouw die met een ferme klap de retour-datum in het boek stempelde. En dan met een tas vol boeken naar huis. Saskia en Jeroen, Mathilda, Kruistocht in Spijkerbroek.

Toen ik op mijn 12e een speelleerklas-theater volgde in de Garenspinnerij maakte ik kennis met poëzie. Er werd voorgelezen uit de bundel Als je goed om je heenkijkt, zie je dat alles gekleurd is. Dat heeft iets aangewakkerd, want ik ben dol op poëzie en maak er dagelijks gebruik van in mijn werk. Gedichten van Rutger Kopland en Toon Hermans, maar net zo goed kindergedichten van Annie MG Schmidt en Toon Tellegen.

Vorige week kreeg Siem zijn eerste dichtbundel van een leuke Zinzoeker. Het lijkt me een mooie gewoonte om hem een gezonde portie poëzie te voeren. Want gedichten gaan je hele leven mee.

Een van mijn allereerste lievelingsboeken was ‘Groene Eieren met Ham’ van Dr. Seuss. Ik kan de tekst nog woordelijk opzeggen. De vertaling van Kees Stip is ook wel pure poëzie..

Niet op een trein, niet in een wagen,

niet in een boom, houd op met vragen!

Ik wil niet eten in een kist,

Ik lust ze ook niet in een huis,

Ik wil niet eten met een vos,

Ik lust ze ook niet met een muis.

Ik eet ze hier niet en niet daar.

Eet jij dat groene eten maar.

Die groene eieren met ham,

Nee, bah, die lust ik niet hoor Sam.

De waterlelie

Ik heb de witte water-lelie lief,

daar die zoo blank is en zoo stil haar kroon

uitplooit in ‘t licht.

Rijzend uit donker-koelen vijvergrond,

heeft zij het licht gevonden en ontsloot

toen blij het gouden hart.

Nu rust zij peinzend op het watervlak

en wenscht niet meer . . . .

(Federik van Eeden, 1901)

Schilder Claude Monet is beroemd geworden door zijn waterlelies. Op zijn 42e verruilde hij het stadsleven voor het Franse gehucht Giverny. Hij had de nodige persoonlijke drama’s meegemaakt; het overlijden van zijn vrouw, de dood van zijn zoon en tot overmaat van ramp begon hij ‘grijze staar’ te ontwikkelen. Door een staaroperatie kwam zijn gezichtsvermogen weer een beetje terug, maar wel zag hij alles met een rode gloed. Hij sloot zich steeds meer af van de buitenwereld en stortte zich op het schilderen van zijn tuin en vijver.

‘Deze landschappen van water en weerspiegelingen zijn een obsessie geworden. Ze gaan de krachten van een oude man te boven, en toch wil ik er in slagen weer te geven wat ik zie. Ik vernietig ze … ik begin er opnieuw aan … en ik hoop dat uit zoveel pogingen iets zal voortkomen.’ (Monet- 1908)

Toen hij 74 was wilde hij zijn laatste grootste meesterwerk maken: een enorm panorama vol waterlelies. Het panorama paste niet in z’n geheel in het museum in Parijs, maar hij heeft zeer veel schilderijen en voorstudies gemaakt die nu bij elkaar zijn gebracht in het Kunstmuseum in Den Haag. Gisteren bezochten Marien en ik de tentoonstelling ‘de Tuinen van Monet’. Het was een feest van herkenning omdat wij in de zomer van 2016 Giverny bezochten, samen met Leen en Hanneke en –koddige kleine- Siem die door de dromerige tuin heen dartelde.

Monet wilde de schoonheid vastleggen en vasthouden. En ook ik was gisteren weer even terug in dat Franse paradijs.