Daarom bewonder ik de bomen

Vandaag waren we voor het eerst na weken weer in Driebruggen bij mijn ouders. Nu het mooi weer is kunnen we gelukkig -met 1,5 meter afstand- thee drinken in de tuin en Siem kon een stokken-gevecht met opa houden.

Door de social distancing merk je wat een sociale dieren we eigenlijk zijn, en hoe vanzelfsprekend en belangrijk fysiek contact is. Een zoen bij binnenkomst, een aai over je bol, een schouderklop.

Ook mijn werk wordt bemoeilijkt door deze beperkingen. Collega geestelijk verzorger Marieke Schoenmakers begeleidt in een Brabants ziekenhuis Corona-patiënten en hun familie. Ze draagt een beschermend pak met mondkapje, handschoenen en spatbril. In Trouw vertelt ze: “Mensen weten niet eens hoe ik er uitzie. Wat scheelt is dat het helemaal niet om mij gaat. Ik begeleid mensen, help ze om afscheid te nemen. Sterven kan een grote opgave zijn”.

Ik heb respect voor mijn collega’s in de frontlinie. Het verpleeghuis waar ik werk ik vooralsnog vrij gebleven van het virus. Ik kan mensen, weliswaar op afstand, nog bezoeken zonder beschermende middelen. Vrijdag ga ik proberen in kleine groepjes hoogtepunten uit de Mattheus Passion te laten horen. Verbinding en troost in deze stille -en voor velen eenzame -tijd.

En terwijl de wereld krakend tot stilstand is gekomen, pakt de natuur schaamteloos uit. De oude perenboom in de tuin van mijn ouders is op z’n mooist. Toon Hermans dichtte:

Als ik de bomen zie

gemaakt van hetzelfde leven

maar dan met stam en tak en twijgen

als ik de bomen zie

dan luister ‘k altijd even

naar hun fantastisch zwijgen

ik heb de storm zien komen

hij sloeg ze half kapot

verstild zag ik ze dromen

of dansen, zomerzot

ik zag hun angstig beven

in donker en in licht

en zie mijn eigen leven

in hun verweerd gezicht

Gelukkig kunnen we ons in deze tijden laven aan de wijsheid van oude bomen, en van oude dichters zoals Toon.

De meeste mensen deugen

Onvoorstelbaar dat het nog maar een week geleden is dat we het verzoek kregen van de premier elkaar geen hand te geven en in onze elleboog moesten hoesten. Inmiddels hebben we bijna een week thuisgewerkt, thuis-onderwijs gegeven, houden we 1,5 meter afstand van mekaar, en vanavond is ook besloten dat de verpleeghuizen dicht gaan voor bezoek. Noodzakelijk maar intens verdrietig. Het is nog onduidelijk wat dit voor mijn werk zal betekenen. Ik peins over andere wegen. Creativiteit wordt geprikkeld door crises..

En niet alleen onze creativiteit wordt aangeboord. De social media en tv staan bol van hartverwarmende initiatieven. Een halfjaar terug las ik Rutger Bregmans ‘De meeste mensen deugen’ en ik denk dat we kunnen concluderen dat hij het bij het rechte eind had.  ‘Rampen en crises halen het beste uit ons naar boven. Er zijn weinig wetenschappelijke inzichten waar zo veel bewijs voor is, en toch wordt het vaak vergeten. Juist nu, tijdens deze pandemie, is het cruciaal om het te onthouden.’ aldus Bregman op de website van de Correspondent.

Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar er is een ware samenwerkingsexplosie op gang gekomen: ‘Niet alleen het coronavirus is namelijk besmettelijk; hetzelfde geldt voor vriendelijkheid, hoop en naastenliefde’

Ook thuis doen we ons best. Siem had zondagavond zijn dagschema al voor ons uitgetekend: in de kring, lees-circuit, eten en drinken..En zo zitten we nu iedere ochtend om 9 uur met z’n drietjes in de kring. Morgen zal mijn inbreng in het kring-gesprek zijn om Bregmans’ premisse tussen de oren te krijgen bij mijn enige, aller-dierbaarste leerling: ‘Siem-lieverd, de meeste mensen deugen.’

Hij zal me aankijken, een beetje met zijn ogen rollen, en zeggen zoals zo vaak: “Ja mam, dat wist ik allang”

Quaraintaine

Net als zoveel andere Nederlanders zit ik vandaag thuis. Mijn college is afgelast en ook mijn supervisie is uitgesteld tot betere tijden. Ik hoest al een paar weken. Waarschijnlijk een ordinaire verkoudheid maar contact met kwetsbare ouderen kan ik beter vermijden. Vreemd hoe het openbare leven stil ligt, hoe ieder z’n adem inhoudt en beduusd gehoor geeft aan de oproep van de autoriteiten.

Alsof de duvel ermee speelt, past de theorie van mijn colleges over kwetsbaarheid naadloos bij de huidige situatie. We zijn in een contrastervaring op macroniveau terecht gekomen: geconfronteerd met onze mondiale kwetsbaarheid. We zitten met z’n allen in een fase van ontregeling, in een tussengebied, in quarantaine. We weten niet hoe dit verder gaat. Er toont zich vaak ook iets van waarde in zo’n ervaring; solidariteit bijvoorbeeld, communitas tussen de grensgangers.

Als geestelijk verzorger zijn we opgeleid tot het begeleiden van moreel beraad. Wat is goed handelen wanneer je tussen twee kwaden moet kiezen? Welke waarden spelen mee? Het kabinet moet momenteel belangrijke beslissingen nemen in dit duivelse dilemma. Scholen open of dicht? Vluchten annuleren of door laten gaan? Laveren tussen de risico’s voor de volksgezondheid en de economie.

Ik wens de bestuurders veel wijsheid toe en ons allemaal veel ‘communitas’. En als je dan toch thuis bent kun je volgens Marjoleine de Vos (gedicht van 14 maart in de bundel ‘Ik wou dat ik een vogel was’) de schoonheid van dichtbij ontdekken.

Ruimtevrees

Achter eilanden, daar weer achter
dijken,

zee en Zweden. Waar zou je heen?


De blik verliest je met zichzelf in ruimte


waar aankomst ver en ver te zoeken is.


Niet voor de woerd die plotseling en onbedaarlijk


groen het zonlicht en je oog inzwemt.


Kijk bij je voet, maant hij, waar speenkruid


bloeit, de lucht gespiegeld blauw is in het diep.


Voel warmte op je neus, zie ‘t vroege blad


van vlier. Je keek te ver. Wat je zoekt is hier.

Binnenwereld

Zondag bezochten we museum Singer in Laren. In de tentoonstelling ‘Spiegel van de Ziel’ draait alles om de binnenwereld: een vrouw in gedachten verzonken voor haar linnenkast, mistige landweggetjes, het interieur van een rommelig atelier. Siem vermaakte zich schattig met een speurtocht.

Tegenwoordig zoekt de moderne mens rust en balans door yoga, stilte-retraites en meditatie-apps, maar ook eind 19e eeuw ontstond er –als reactie op de dynamische industrialisatie en oppervlakkige welvaart- behoefte aan contemplatie. Er zijn prachtige schilderijen te zien uit die periode van Toorop, Mondriaan en Van Gogh maar het meest onder de indruk was ik van een schilderij van Jan Mankes: ‘Moeder in de kamer’.

Moeder in de kamer, 1912, Jan Mankes

Ik kende Jan Mankes met name als echtgenoot van Anne Zernike, de eerste vrouwelijke predikante van Nederland. Toen zij beroepen werd door een doopsgezinde gemeente in Bovenkneipe, leerde zij de jonge kunstenaar kennen en ze trouwden in 1915. Helaas kreeg Jan al een jaar later tuberculose en hij overleed op zijn 30e jaar. Hij laat een oeuvre na van een kleine 200 werken. De natuur en dieren -met name vogels- zijn een geliefd onderwerp, maar hij maakte ook (zelf-)portretten en interieurs. Mankes exposeerde al gedurende zijn leven en werd ook toen al gewaardeerd. Collega kunstenaar Richard Roland Holst noemde hem ‘Hollands meest verstilde schilder’. En inderdaad gaat er van zijn schilderijen een zeldzame rust en zachtheid uit.

Jan Mankes overleed in Eerbeek waar hij de laatste jaren van zijn leven met Anne woonde. Er staat daar een beeld van een wit geitje met daarop dit gedicht van Willem de Merode:

Hij heeft de dieren en de stille dingen

Met sterke aandachtigheid tot zich genomen

En lichtend zijn zij weer aan ’t licht gekomen,

Wijl zij het lichten van zijn ziel doorgingen.

Pastorale

Ik las de veelgeprezen roman Pastorale van Stefan Enter. Het boek speelt zich af tijdens de zomer van 1985 in Brevendal (Barneveld). Louise is 20 en komt in de vakantie naar haar ouderlijk huis en Oscar van 17 kijkt reikhalzend uit naar het moment dat ook hij op kamers kan gaan. Zij zitten beiden in een fase van loskomen van het dorp, ouders en het gereformeerde geloof. Ook wordt verteld hoe de Molukse gemeenschap uit Brevendal nauwelijks contact heeft met de dorpelingen. Als Oscar op bezoek gaat bij een Molukse klasgenoot, houdt de vader des huizes een vurig betoog over hoe de Nederlandse overheid en samenleving de Molukkers hebben behandeld.

Wrok is de onderliggende emotie uit het boek, zo zegt de auteur in een interview met het Nederlands Dagblad: In deze roman is voor deze nuances over religie geen plaats; het boek drijft op twee woedes, die van Matupessy en die van Louise. Die wrok, daar gaat het over. Want wrok is niets anders dan jezelf elke dag een beetje gif toedienen en hopen dat iemand anders er ziek van wordt. Je moet er iets mee. Want het vreet je op.’

Die wrok maakt het boek naar mijn mening wat somber en bitter. De natuurbeschrijvingen zijn mooi en het verhaal is boeiend-hoewel nooit echt spannend-maar toch ontroerde of raakte het me nergens. Ik begrijp de woede, maar ik voel het niet.

De titel van het boek is ironisch bedoeld. Pastorale verwijst naar een muziekstuk die aan de ontspannen sfeer van het gemoedelijke landleven moet herinneren. Het is allemaal een dun vernislaagje lijkt Enter ermee te willen zeggen. Tijdens het lezen herinnerde ik mij dat ik bij zijn vorige boek Grip een soortgelijke ervaring had. Daar ging het over de illusie van vriendschap. Ook daar vond ik het allemaal wat zwaar op de hand.

Ik hou van melancholie en een boek hoeft niet vrolijk of licht te zijn, maar de emotie van wrok en de schrijfstijl van Enter raakt geen snaar bij me.