Een onberispelijke man

Op kerstavond las ik Een onberispelijke man van Jane Gardam uit. Deze auteur is in Nederland nog nauwelijks bekend. Nu ik haar ontdekt heb ga ik zeker meer van haar lezen. De roman begint –hoe toepasselijk- als kerstverhaal. Twee oude juristen- altijd elkaars opponent geweest-brengen tegen wil en dank de kerst samen door. Vervolgens ontspint zich het verhaal van Sir Edward Feathers. Eddy Feathers is een kind van een ambtenaar in Brits Maleisië. Zijn moeder overlijdt in het kraambed. Zijn vader kijkt niet naar hem om en hij groeit op bij de Maleise dienstbode/min en haar gezin. Op zijn vierde wordt hij op de boot gezet naar Engeland voor een gedegen Britse opvoeding. Hij wordt bij een pleeggezin in Wales ondergebracht, en vervolgens gaat hij naar kostschool en de universiteit. Na een paar jaar sappelen als juridisch klerk in Londen vertrekt hij naar Hong Kong waar hij een zeer succesvol rechter wordt. Hij trouwt met Betty en na zijn pensionering trekken zij zich terug op het Engelse platteland. Betty overlijdt als zij tulpen aan het planten is.

Dit is de levensloop van de onberispelijke man: althans dat wat de buitenwereld van hem weet. Na de dood van Betty wordt hij overvallen door herinneringen en als lezer beleef je die flashbacks met hem mee en leer je Eddy Feathers kennen, en ga je van hem houden, Althans dat was mijn ervaring.

Jane Gardam schreef het boek 12 jaar geleden, toen al ver in de zeventig. Ze schrijft met de wijsheid van de jaren, en geeft inzicht in hoe mensen zijn geworden wie ze zijn. Het deed me denken aan Wat behouden blijft en Stoner, ook geschreven door auteurs op leeftijd. Nu heb ik een voorliefde voor oude mensen en hun levensverhaal. Maar dit boek vond ik ook briljant door de geweldige manier van schrijven, de vernuftige opbouw, de diepgang en geestigheid. Volgens Hans Bouman van de Volkskrant stelt het boek indringende vragen over opvoeding en ouderschap, het koloniale systeem, de juridische wereld, de betekenis van ‘thuis’, en misschien nog wel het meest over de kenbaarheid van de mens.

Dit boek kwam in 2005 in Engeland uit en is nu dus gelukkig vertaald in het Nederlands. De onberispelijke man blijkt het eerste deel van een trilogie en de twee vervolgen komen in 2018 in het Nederlands uit. Het tweede boek wordt vanuit perspectief van Betty geschreven, Ik kijk ernaar uit.

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Never let me go

Bij ’t licht van de kerstboom las ik ‘Laat me nooit alleen’ van Nobelprijs winnaar Kazuo Ishiguro. Hoofdpersoon Kathy blikt terug op haar jeugd op een Engelse kostschool. Ze heeft alledaagse kinder-herinneringen, beschrijft intense puber-vriendschappen maar toch klopt er iets niet. Zo wordt er nooit over ouders gerept, moeten de kinderen iedere maand een medische keuring ondergaan en rust er op roken een absoluut taboe. Langzaam maar zeker wordt duidelijk dat het hier niet om gewone kinderen gaat, maar om een groep menselijke klonen die worden klaargestoomd om orgaandonor te worden..

Een surrealistisch en weerzinwekkend gegeven. Toch is –volgens Hans Bouman van de Volkskrant- het echte thema van dit boek niet de ethiek van klonen en orgaandonatie maar de vraag in welke mate je kinderen moet en kunt beschermen tegen de werkelijkheid van het ‘echte’ of ‘volwassen’ leven. Er zijn volgens mij  veel thema’s uit dit boek te halen, maar bij mij blijft 1 passage hangen. En daarin wordt wel degelijk een ethische kwestie aan de orde gesteld. Wanneer Kathy en haar vriend Tommy na jaren hun bejaarde docent opzoeken, krijgen ze iets van het waarom van hun bestaan te horen:

‘Hoe kun je vragen van een wereld die kanker als geneesbaar is gaan beschouwen, hoe kun je een dergelijke wereld vragen die genezing te vergeten en terug te gaan naar de tijd van de onwetendheid? Er was geen weg meer terug. Hoe aangenaam mensen zich ook voelden vanwege jullie bestaan, veel en veel zwaarder woog voor hen dat hun echtgenoten, hun ouders, hun vrienden niet stierven aan kanker, ALS en hartkwalen. En dus werden jullie heel lang verborgen gehouden, en de mensen deden hun best niet aan jullie te denken. Dachten ze wel aan jullie, dan probeerden ze zichzelf ervan te overtuigen dat jullie anders waren dan wij. Dat jullie minder menselijk waren en dat het er dus niet toe deed’ .

Voor mij is de belangrijkste vraag die het boek oproept: wat is menselijkheid en medemenselijkheid? Als medemenselijkheid betekent teruggaan in je ontwikkeling of in welvaart, ben je dan bereid om in te leveren? En daarop verder peinzend: steunt onze welvaart hier in het westen niet op het feit dat er een ongelijkheid is tussen mensen? Houden wij die ongelijkheid misschien –bewust of onbewust- in stand? En sluiten we onze ogen ook liever voor tweederangsburgers die in een parallelle werkelijkheid leven? En dan is de metafoor van Ishiguro misschien wel helemaal niet zo absurd als op het eerste gezicht lijkt.

Kortom; een fascinerend boek, maar comfortabel is het geenszins. Het schuurt aan alle kanten. En ach, dat mag ook best een beetje in deze tijd van reflectie.

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Adieu Swanenburghshofje!

Donderdag nam ik na vijfenhalf jaar afscheid van ’t Swanenburghshofje, SchuldHulpMaatje en alle externe collega’s uit het Goudse. Het was een hartverwarmend afscheid. Mijn werk bij ’t Swanenburghshofje was zeer afwisselend en ik heb alle vrijheid gekregen om de functie naar eigen inzicht in te vullen. Voor mij was het werken met vrijwilligers nieuw en ik ben onder de indruk geraakt hoe zij zich inzetten voor mensen die -vaak- in diepe problemen verkeren. Toen ik spreekuur bij de Voedselbank hield, kon een cliënt van Schuldhulpmaatje er maar niet uit dat iemand in zijn vrije tijd zich met zijn financiële shit wilde bezighouden. En toen een bewoner na een jaar een eigen woning kreeg schreef hij: “Dank voor jullie goede zorgen. Zonder jullie was ik nergens meer”

Het hofje biedt iets heel basaals: namelijk een dak boven je hoofd als je geen huis hebt. Een mogelijkheid om een jaar lang je leven op de rit te krijgen en integere gesprekspartners om je doen en laten te overdenken. Een life-event gaat niet zelden gepaard met financiële problemen. Daarom zijn er die deskundige en aardige schuldhulpmaatjes die daarin ondersteunen.

Het was voor mij voor het eerst dat ik in een christelijke organisatie werkte, en ik had aanvankelijk twijfels of ik –als vrijzinnige- wel in een dergelijke setting paste. Niets is minder waar. Ik heb de interkerkelijkheid als verrijkend ervaren. En wat bleek; in het hofje ging het niet over theologie maar over handen uit de mouwen. Het ging niet over bekeren maar inspireren. En iedere vergadering beginnen met bezinning ben ik gaan waarderen. Voordat je aan het werk gaat met elkaar delen waarom je doet wat je doet. Een stukje uit de krant, uit de Bijbel, een gedicht of een citaat. Dat zouden meer mensen moeten doen!

Onderstaand gedicht van Vaclav Havel heb ik regelmatig gelezen als opening en zegt iets over de bezieling die ik de afgelopen jaren heb mogen ervaren:

Diep in onszelf dragen wij hoop;

Als dat niet het geval is,

is er geen hoop.

 

Hoop is een kwaliteit van de ziel

en hangt niet af van wat er in de wereld gebeurt.

Hoop is niet

voorspellen of vooruitzien.

Het is een gerichtheid van de geest,

een gerichtheid van het hart,

verankerd voorbij de horizon.

Hoop in deze diepe en krachtige betekenis

is niet hetzelfde als vreugde omdat alles goed gaat,

of bereidheid je in te zetten voor wat succes heeft.

Hoop

is ergens voor werken

omdat het goed is,

niet omdat het kans van slagen heeft.

Hoop is niet hetzelfde als optimisme;
evenmin de overtuiging dat iets goed zal aflopen.


Het is de zekerheid
 dat iets zinvol is
 onafhankelijk van de afloop,
 onafhankelijk van het resultaat.

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Die enorme eindeloze zee

Ik heb altijd iets religieus gehouden, ik heb er sowieso nooit verachting voor gevoeld. Ik zou wel willen dat ik ..iets van dat kinderlijke godsgeloof bewaard had. In mijn dromen heb ik het nog wel. In mijn dromen”.

Geert Mak in interview NRC, afgelopen weekend

Zondag, het was eerste Advent, heb ik meegewerkt aan een viering van het Oecumenisch Initiatief Gouda. Het thema was Dromen met je ogen open. In de voorbereidingsgroep vroegen we ons af of we dat zelf eigenlijk -nog- deden; dromen met je ogen open. Als kind kon ik intens verlangen naar het moment dat ik mijn nieuwe schoenen aan mocht (ik zette ze naast mijn bed), naar de eindmusical van groep acht (ik speelde Kleine Jopie) en naar de kerst (kerstnachtdienst en daarna saucijzenbroodjes eten uit de kleine gammele Melita-oven). Als kind kun je ervan dromen, en er heilig in geloven, dat alles alleen nog maar mooier wordt. Je wordt nog niet gehinderd wordt door realiteitszin, voortschrijdend inzicht of scepsis. En je had soms ook nog –zoals Geert Mak beschrijft- dat kinderlijke godsgeloof.

Op de voorkant van het liturgie boekje stond bovenstaande afbeelding van le Petit Prince van Antoine de Saint-Exupéry. Een van de citaten van de Kleine Prins is:

Als je een schip wil bouwen, roep dan geen mannen bij elkaar om hout te verzamelen, het werk te verdelen en orders te geven. In plaats daarvan, leer ze verlangen naar de enorme eindeloze zee.

Ik ben zo blij dat er schrijvers, zangers, kinderen, kunstenaars, profeten en gewone stervelingen zijn die het talent hebben op een andere wijze naar de werkelijkheid te kijken. Zij schetsen soms vergezichten waardoor je geprikkeld, ontroerd of geïnspireerd wordt. Of uitgedaagd wordt weer met open ogen te durven dromen.

 

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

De moeder van Sonja

Sonja op.. (maandag, dinsdag, woensdag enzovoort) was een praatprogramma op de televisie dat me nog goed kan herinneren. Sonja Barend als boegbeeld van de VARA met –in de jaren tachtig en negentig- grote schoudervullingen en een korte coupe. Ik vond haar altijd krachtig en stads.

Onlangs kwam haar biografie uit. Daarin vertelt ze over haar leven, haar carrière, de kanker die haar tot vier maal toe overkomt. Maar bovenal gaat het boek over haar familiegeschiedenis en de relatie met haar moeder. In 1942, Sonja is twee, wordt haar joodse vader David thuis opgehaald door twee keurige Nederlandse mannen. Haar (katholieke) moeder laat de mannen binnen en hij zegt ten afscheid tegen zijn vrouw: Je ziet mij nooit meer terug. Hij krijgt gelijk; hij sterft in Auschwitz. Haar moeder laat zich van hem scheiden en hertrouwt snel daarna. Sonja ontdekt pas later dat haar stiefvader, niet haar echte vader is. Als Sonja haar moeder vraagt naar haar vader krijgt ze als antwoord: ‘Ach kind, het is allemaal zo lang geleden’. Ze neemt haar geheimen mee het graf in.

Waarom zit ik opgescheept met al die raadsels? Waarom heb je het verleden met mijn vader vermalen in je hoofd als de bonen in je geliefde ouderwetse koffiemolen? Waarom heb je mij opgezadeld met dat ‘uitgewiste’ verleden, dat altijd in mijn hoofd aanwezig is als een ondoorzichtige grijze wolk? Waarom kan ik niet gewoon woedend op je zijn, of je, al is het maar een halfuurtje, gewoon eens lekker haten? Waarom kan ik niet anders dan je in bescherming nemen en zielsveel van je houden?

Met mijn moeder, 1981

De relatie met je moeder is een bijzondere. Ik bof met de mijne. Maar ook als de relatie complex of moeizaam is, of vol onuitgesproken zaken zoals bij Sonja. Het blijft je moeder. Een mooie rubriek in de weekend editie van NRC vind ik ‘Lessen van mijn moeder’. Ontroerend vond ik de bijdrage twee weken terug van theatermaakster Marjolijn van Heemstra:

Mijn moeder gaat me voor over een slingerpaadje tussen braamstruiken. Het begint langzaam licht te worden. Ik kijk naar haar bruine jas, haar rechte rug. Mijn open, ondoorgrondelijke moeder die met één blik kan vergeven en veroordelen. Mijn zachte, ernstige moeder om wie ik soms zo hard moet lachen dat ik er van huil.