Thuis

Morgen is er weer gespreksgroep in het verpleeghuis en deze keer gaat het over ‘thuis’. Heimwee is een veelgehoorde klacht. Het wonen in een verpleeghuis doe je alleen als het thuis echt niet meer gaat. Het is een noodzakelijk kwaad en vaak ‘beter zo’. Maar heimwee is erg. En eenzaam. Hoe maak je van een huis een thuis? Ik zocht naar gedichten die het gevoel van thuis-zijn verbeelden, en ondertussen kwam er een signaal op mijn digitale agenda binnen: “29 augustus, notaris, sleuteloverdracht Dijkstraat”.

Gek. We verlaten ‘de Dijkstraat’. Een plek waar we geleefd hebben, hoogte-en dieptepunten hebben beleefd. Een huis waar mensen graag komen -zo hebben we vaak mogen horen.- en waar ik zelf nog altijd heel graag ben.

Maar de tijd is rijp. De nieuwe bewoners hebben lang moeten wachten. Wij hebben de afgelopen maanden gebruikt om ons nieuwe huis aan de Johan den Haenstraat te renoveren en verbouwen.
Marien werkt er met veel liefde en toewijding aan. Ik heb er vanavond in mijn eentje rondgelopen en voel me bevoorrecht. Een huis dat verhalen ademt van vroeger, maar ook nog een onbeschreven blad is; vol licht en ruimte. We koesteren de oude verhalen en gaan er nieuwe verhalen maken.

Ik hoop dat de mensen morgen in de gespreksgroep op verhaal kunnen komen, en zich verbonden voelen, waardoor ze zich een beetje meer thuis gaan voelen.

Ik heb mijn gedicht voor morgen gevonden.  Het is van Rutger Kopland het heet Onder de appelboom:

Ik kwam thuis, het was

een uur of acht en zeldzaam

zacht voor de tijd van het jaar,

de tuinbank stond klaar

onder de appelboom

ik ging zitten en ik zat

te kijken hoe de buurman

in zijn tuin nog aan het spitten

was, de nacht kwam uit de aarde

een blauwer wordend licht hing

in de appelboom

toen werd het langzaam weer te mooi

om waar te zijn, de dingen

van de dag verdwenen voor de geur

van hooi, er lag weer speelgoed

in het gras en ver weg in het huis

lachten de kinderen in het bad

tot waar ik zat, tot

onder de appelboom

en later hoorde ik de vleugels

van ganzen in de hemel

hoorde ik hoe stil en leeg

het aan het worden was

gelukkig kwam er iemand naast mij

zitten, om precies te zijn jij

was het die naast mij kwam

onder de appelboom, zeldzaam

zacht en dichtbij

voor onze leeftijd.

Regenbogen

Afgelopen zaterdag toonde Gouda zich in al zijn veelkleurigheid en van zijn allerbeste kant. Roze zaterdag -de Nederlandse versie van de Gay Pride Parade- wordt vanaf 1977 gehouden en is het jaarlijks treffen van homo’s, lesbiennes, transgenders en andere seksuele minderheden in steeds weer een andere stad. Doel is een stad een roze impuls te geven. In Gouda ontrolde die impuls zich als een positieve verbroederende golf wat me vervult met trots en optimisme.

De dag begon met een geloofsviering in de Sint Jan. Ik zat in de voorbereidingsgroep en wat is het goed gelukt! Het was een hartverwarmende kerkdienst waar ruim 750 mensen geïnspireerd en ontroerd vandaan kwamen. Hans Bax maakte een prachtige fotoreportage:

Een paar hoogtepunten: Elise Mannah zong het lied Ken je mij van Huub Oosterhuis. Bij het onderdeel: ‘Ik ben’ stonden mensen op in de kerk die in al hun kwetsbaarheid vertelden wie ze waren, gevolgd door ‘t gezamenlijk zingen van True Colors van Cindy Lauper.  Er werden regenboogkaarsen aangestoken, waaronder eentje door Siem (voor alle kinderen in de wereld die in on-vrijheid opgroeien). Er klonken inspirerende woorden van de drie voorgangers uit verschillende kerkelijke tradities. Het slotgebed door pastoor van Klaveren met het Ave Maria. En wat een fantastische bijdrage van Rik ZuZu alias de Droominee. Een paar stukjes uit zijn spoken-word voordracht zijn te mooi om niet te herhalen. Een liefdevol pleidooi voor de kerk van de brokkenpiloten en regenbogen!

DIT IS de veelkleurige kerk van brokkenpiloten

en regenbogen waar ik voor voel

we zijn een STILLE wanORDE, ontregelde boel

we hebben het niet perfect op een rijtje

we falen bij de vleet dat is een voldongen feit

vanuit hemels perspectief zijn we allemaal gelijk

..

we breken grijze kerkmuren af en trekken rond in bonte tabernakels

dansend stappen we met een glimlach over iedere obstakel

we bieden onderdak aan elk apartgezette zonderling

we vinden ware schoonheid in verwondering

en zelfs in verwonde zielen of verscheurde hartenkreten

kunnen we de geschreven brieven van de Geest lezen

laat ze niet die glinsteringen uit je ogen stelen

jouw lichtend licht moet je niet onder kerkstoelen of -banken steken

..

We zijn de kerk van brokkenpiloten en regenbogen

de kerk van grenzeloze liefde, genade en mededogen

 

De hele tekst is de lezen op: (https://www.facebook.com/Droominee/posts/802385086552212 )

 

 

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Voor wie ik liefheb wil ik heten

Vorige week gestart met mijn eerste gespreksgroep in het verpleeghuis. Samen met de psychologe van het huis organiseer ik vijf bijeenkomsten over zingeving. Daar zaten we dan, in een iets te krappe zaal met tien bewoners, ingebouwd door rolstoelen en rollators. We spraken over onze naam, vanuit de gedachte dat –wanneer je in een verpleeghuis woont- niemand je meer bij je voornaam noemt. We vertelden elkaar onze voornaam, hoe we aan onze naam kwamen en of we er blij mee waren. Bij het horen van al die namen -Dina, Margaretha, Pieter en Suzanna- moest ik denken aan woorden van Karl Ove Knausgard in zijn roman Zoon:

‘Is dat in feite niet ongelooflijk, dat een enkele naam dat allemaal dekt? De foetus in de baarmoeder, de baby op de commode, de veertigjarige achter de computer, de oude man in de stoel, het lijk op de tafel? Zou het niet meer voor de hand liggen om met verschillende namen te werken, aangezien hun identiteit en zelfbeeld zo ontzettend verschillend zijn? Dat de foetus bijvoorbeeld Jens Ove, de baby Jens Ove zou heten, de baby Nils Over, de vijf-tot-tienjarige Per Ove, de tien-tot-twaalfjarige Geir Ove, de dertien-tot-zeventienjarige Kurt Ove, de zeventien-tot-drieëntwintig jarige John Ove, de drieëntwintig-tot-tweeëndertigjarige Tor Ove, de tweeëndertig-tot zesenveertigjarige Karl Ove enzovoort, enzovoort? Dan zou de voornaam staan voor het unieke van elke leeftijd, de tussennaam voor de continuïteit en de achternaam voor de band met je familie.’

Er is iets in je dat blijft, de kern van wie je bent gesymboliseerd in die tussennaam. Maar inderdaad, een mens verandert voortdurend. Je hebt de ervaring dat je dezelfde bent, maar hoe waar is dat? Nu ik ga verhuizen kom ik mijn oude dagboeken tegen. Het 9-jarige meisje dat haar schooldag beschrijft, de 16-jarige die voor het eerst verliefd is, de 33-jarige die het leven niet meer ziet zitten. Ik herken hun woorden allemaal, maar ook weer niet. Was ik dat echt allemaal?

Wat doet het met een mens als je alleen nog maar met je familienaam wordt aangesproken? Een mevrouw vertelde dat ze zich steeds kleiner voelde worden nu ze in het verpleeghuis woont. ‘Er blijft niks meer van mijzelf over’. En dus gaan we elkaar -in de gespreksgroep- aanspreken met de voornamen. Het zal best even wennen zijn om een dame van 93 Margje te noemen. Maar ik doe het graag met respect en liefde. Het gedicht van Neeltje Maria Min gaven we na afloop mee.

Mijn moeder is mijn naam vergeten

Mijn kind weet nog niet hoe ik heet

Hoe moet ik mij geborgen weten?

 

Noem mij, bevestig mijn bestaan

Laat mijn naam zijn als een keten

Noem mij, noem mij, spreek mij aan

O noem mij bij mijn diepste naam

Voor wie ik liefheb, wil ik heten

 

Raider

De examens zijn weer begonnen. Terugdenkend aan mijn examentijd herinner ik mij dat ik het spannend vond, maar ook ergens wel leuk. Ik propte mijn hoofd vol kennis en ik hoopte letterlijk dat het niet uit mijn hersens zou waaien op de brommer naar Woerden. Alleen mijn examen wiskunde A vond ik een beproeving. Meneer Muijt, de oude conciërge die met zijn ratelende koffiekarretje door de rijen reed, zag mij ploeteren en stopte mij een Raider (ik kom nog uit de tijd dat een Twix een Raider heette) toe. Het hielp niet qua resultaat (een 4,4 voor m’n centraal schriftelijk) maar ik zal het gebaar nooit vergeten.

De zes jaar op de Kalsbeek lijken een extreem lange tijd. Natuurlijk omdat er zoveel gebeurt tussen je 12e tot je 17e met jezelf, en je alles intens zo beleeft. Nu we bijna gaan verhuizen, ben ik druk aan het opruimen en kijk ik naar mezelf als scholiere uit de jaren ’90.

1993, 3 Atheneum

Ik was een laatbloeier, een meisje dat braaf haar huiswerk deed en te verlegen om me aan jongens te wagen (dat haalde ik later in..) Ik had gelukkig altijd wel vriendinnen en vaak de lachers op mijn hand. Als ik thuis kwam schreef ik verhalen op de oude typemachine van mijn moeder.

Ik zou mijn middelbare schooltijd niet graag overdoen, de onzekerheid, ‘t valse meiden-gedoe, de populaire garde waar je je toe moest zien te verhouden en de enorme hoeveelheid lesstof -waarvan het meeste niet echt je interesse had.

Gisteren keek ik naar het programma De Klas! op NPO1. Oud schaatser Erben Wennemars geeft les over succes aan een groep scholieren. Wat is succes, hoe krijg je het en wat heb je ervoor over? Een mooi concept. Het toont zowel het perspectief van de jongeren als van ‘docent’ Wennemars. Er volgt nog een uitzending in mei met columnist en schrijver Özcan Akyol.

Ik zou aan de lippen gehangen hebben van zo’n inspirerende gastdocent. En ik denk dat een paar levenslessen bij mij beter zouden zijn beklijfd dan een paar jaar wiskunde A. Hoewel. De Raider van wijlen meneer Muijt was in zekere zin ook een levensles: een bemoedigende knipoog uit onverwachte hoek die je eeuwig bijblijft. En ook: Alles gaat voorbij. Zelfs een examen wiskunde.

 

BewarenBewaren

Nooit genoeg

Morgen is het 3 mei. Tien jaar geleden trouwden Marien en ik op een stralende lentedag. Marien met wapperende sjaal in onze gele Saab en ik in rozerode bruidsjurk en een boeket vol pioenrozen. Het was een prachtige dag vol fluitenkruid, lentegeluiden, roze vogelhuizen, en heel veel familie en vrienden. Ik ben nog steeds ontzettend blij met Marien, met ons huwelijk en dat we onze liefde toen zo uitbundig gevierd hebben.

Morgen vieren we het echter niet -dat doen we een andere keer- want morgen is het een dag van afscheid. Een van de gasten van toen, mijn lieve ome Wim, overleed afgelopen zondag. Ome Wim, charismatische grappenmaker en levensgenieter. Ik zal hem missen.

Helaas hebben we in die tien jaar van veelste veel dierbaren afscheid moeten nemen. Op onderstaande foto staan drie van hen: ome Cor, mijn oma en ome Wim.

 

En natuurlijk Danny die voor ons zong in de kerk, en die bij het ontbijt het verhaal voorlas van Toon Tellegen van de eekhoorn en de olifant:

‘Als ik genoeg van je heb, eekhoorn’ , zei de olifant op een middag tegen de eekhoorn, ‘dan til ik je boven mijn hoofd en slinger ik je over het hele bos de zee in’.

‘O, ja?’ vroeg de eekhoorn

(..)

‘Maar dat doe ik alleen’, ging de olifant weer verder, ‘als ik genoeg van je heb, eekhoorn.’

‘Ja,’ zei de eekhoorn die dat wel wist.

En ik heb helemaal niet genoeg van je. En ik zal nooit genoeg van je hebben. Nooit. Dat is nou juist het bijzondere!’ En weer zwaaide hij met zijn slurf, zijn voorpoten en zijn oren.

Ik denk met warmte terug aan de mensen waar ik nog lang geen genoeg van had. Ze leven voort in verhalen en herinneringen.

BewarenBewaren